Achterkamers

door Pierre Pieterse – Ook dit jaar is het de jury weer gelukt om uit de enorme stapel boeken vijf titels te vinden die kans maken om Managementboek van het Jaar te worden. Omdat over deze keus niet kan worden gecorrespondeerd, is het aardig om eens te kijken hoe zo’n jury tot haar keuze komt.

Helaas is het geheim van elke jury, u raadt het al, het geheim van de jury. Maar gelukkig heeft het Maarten ’t Hart behaagt om ons een zeer amusante maar vooral vileine blik in die achterkamer te gunnen. In zijn biografie Dienstreizen van een thuisblijver beschrijft hij hoe het er in de literaire wereld aan toegaat. Zodat a priori elke overeenkomst met de zakelijke wereld als vanzelfsprekend op toeval berust.

Elke competitie bestaat uit een getrapt systeem: eerst een longlist (de eerste krachtmeting), dan een shortlist (de tweede), en tot besluit de prijs (de derde krachtmeting). De finale fase geschiedt altijd openbaar, de ‘apotheose van deze geritualiseerde strijd om de eerste plaats’ zoals ’t Hart die noemt, waarbij het dan niet zozeer gaat om de winnaar als wel om de verliezers. Hoe meer verliezers des te groter de prestatie van de winnaar. En altijd de bonobogrijns van de winnaar, de gebalde vuist van de gorilla, en de oerschreeuw van de topaap. Allemaal bewijzen van onze nog immer levendige primatenachtergrond, zo weet de bioloog.

Maar deze apotheose zegt uiteraard nog niets over hoe die uiteindelijke keuze tot stand komt. Maar ook daar heeft hij het nodige over te zeggen. Allereerst valt op dat auteurs die eerder in de prijzen zijn gevallen een grotere kans maken op nog een prijs. Zozeer zelfs dat ’t Hart verzucht om voortaan maar alle prijzen aan Arnon (immers ‘bedolven onder alle beschikbare prijzen’) Grunberg te geven. Maar ook ‘omdat noch in Nederland noch daarbuiten ooit een groter schrijver is opgestaan’, zo doopt ’t Hart zijn pen nog even ruimhartig in het vitriool.

Wat ook opvalt, is dat kloeke boeken minder kans maken op een prijs. Zo viel Advocaat van de hanen, de keizer in het vorstelijke oeuvre van Adri van der Heijden volgens ‘t Hart, indertijd simpelweg af, ‘200 pagina’s te dik’ zo luidde het afgemeten deskundige oordeel. In het verlengde hiervan ligt wat ’t Hart duidt als ‘fictiefrictie’. Na verloop van lezen kun je (als jurylide) geen roman meer zien, en ben je blij met iedere andere spijs. Iets essayistisch bijvoorbeeld. Of een biografie. Of een bundel met ‘onnozele dagbladstukjes’. Of inderdaad iets met de omvang van een novelle.

Schielijk bepalend is de rol van de veellezer in elke jury. De man of vrouw die het leeswerk van de collegae met wederzijdse instemming overneemt. ‘Nee, dat boek is niks, ik heb het gelezen, voldoet echt niet.’ Waarna het door de collega met een zucht van verlichting terzijde wordt geschoven. Als deze veelvraat het proces goed stuurt, kan hij ‘handig intrigerend en slim manipulerend zijn voorkeur naar voren te schuiven, evenals hem onwelgevallige boeken onder de tafel werken’. En dat levert dan soms winnaars op waarvan je denkt: hoe is het mogelijk!?!

Tot zover de literaire beschaving, gauw terug naar de onze.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Management, Media

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s